bups

mannelijk (de)/bʏps/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. spreektaal (spreektaal) ongeordend geheel van verschillende dingen of personen
    Maar zie: vorige week ging de hele bups aan info opeens op het net, wel 1.800 documenten.
    Pesterijen, automutilatie, verkrachting, verslaving: het is al met al nogal een grote bups miserabele ellende.
    Jan ziet er ziek noch bezeten van de duivel uit: hij is dus gewoon nog steeds zoekende naar een lief, zorgzaam meisje in Nederland om een bups kinderen en wat Golden Retrievers mee groot te brengen.

Etymologie

*fonetische schrijfwijze van bubs, met die schrijfwijze aangetroffen vanaf 1922 en geschreven met een p vanaf 1952 (zie vindplaatsen hieronder) en vanaf de herziening van de de Woordenlijst Nederlandse taal in 1990 de officiële spelling