zooi

mannelijk/vrouwelijk (de)/zoj/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. warboel, puinhoop
    Ik maakte er een zooitje van.
    Ik heb altijd veel zooi bij me in de auto.
    Ik raapte het hele zooitje weer op en deed een volgende poging.
  2. kooksel; dat wat langdurig samen gekookt wordt

Etymologie

*van Middelnederlands "suede"; een van zieden.

Vertalingen

Engelsmess
Fransfouillis