zooi
mannelijk/vrouwelijk (de)/zoj/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- warboel, puinhoopIk maakte er een zooitje van.Ik heb altijd veel zooi bij me in de auto.Ik raapte het hele zooitje weer op en deed een volgende poging.
- kooksel; dat wat langdurig samen gekookt wordt
Etymologie
*van Middelnederlands "suede"; een van zieden.
Vertalingen
Engelsmess
Fransfouillis
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek