buksboom
mannelijk (de)/'bʏksbom/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) (medisch) geslacht van altijdgroene heesters
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘heester’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Vertalingen
Engelsbox-tree
Spaansboj
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek