buitenverf

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verf die bestand is tegen de buitenlucht
    'Als wij op de zaal zijn,' praatte Jaap terug; hij keek de ruiten langs, naar de hobbelige randjes van de buitenverf op de 'sponningen', die je van binnen zien kon, omdat de roedjes slecht 'besneeén' waren.