buitelen
/ˈbœytələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) ergens over de kop heengaan of -rollenHij was van de trap gebuiteld.
- (inerg) over de kop gaan of rollenEr werd gestoeid en gebuiteld en iedereen had plezier.
- elkaar verdringen- De journalisten buitelden over elkaar heen om de beroemde filmster te kunnen spreken.- Projectontwikkelaars bijvoorbeeld zijn weer helemaal terug. De sfeer in die sector is, na vele magere jaren, plots weer uitstekend en de plannen buitelen over elkaar heen. Op de Provada, de jaarlijkse vastgoedbeurs, steeg het bezoekersaantal vorige week met 6 procent tot een recordhoogte. Maarten Schinkel NRC 16 juni 2016
- tweede betekenisomschrijvingZin met het buitelen in de tweede betekenis erin.
- enz.
Etymologie
*(freqtt) mogelijk Middelnederlands "beiten" "van een rijdier afstappen" , in de betekenis van ‘tuimelen’ voor het eerst aangetroffen in 1612
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek