buitenkerkelijke
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌbœyte(n)ˈkɛrkələk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die geen lid is van een kerkgenootschap
Etymologie
*: afgeleid van "buitenkerkelijk"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek
*: afgeleid van "buitenkerkelijk"