buiten
/ˈbœytə(n)/
Betekenis
voorzetsel
- niet ingesloten in het genoemdeHij woont buiten de stad.
zelfstandig naamwoord
- (m) platteland
- (n) buitenverblijf, landhuis, buitenplaats, landgoed
Etymologie
: : bûten (Oudfries: būta)
Uitdrukkingen
- buiten adem zijn
- buiten de waard rekenen
- buiten jezelf zijn
- buiten schot blijven
- buiten spel blijven
- buiten werking stellen
- buiten westen zijn
- buiten zijn boekje gaan
Vertalingen
Engelsoutside
Fransen dehors de, à l'extérieur de, dehors
Spaansfuera
Russischснаружи
Poolsna zewnatrz
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek