buisklokken
/ˈbœysklɔkə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziekinstrument) een samenstel van gestemde langwerpige holle cilinders die met een mallet worden aangeslagenDe buisklokken worden in het orkest toegepast om een klokkenspel/carillon te imiteren.
Etymologie
*"buisklok" met de uitgang -en
Vertalingen
Engelstubular bells, chimes
Franscarillon tubulaire
DuitsRöhrenglocken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek