buisklok

mannelijk/vrouwelijk (de)/'bœysklɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. communicatie (communicatie) een langwerpige holle cilinder waartegen men met een hamer of stok, slaat om een signaal te geven
  2. muziekinstrument (muziekinstrument) een van de gestemde langwerpige holle cilinders van het buisklokkenspel

Etymologie

*Samengeteld uit “buis”(-vormige) (luid-)klok”

Vertalingen

Engelstubular chime, chime