buigen

/ˈbœyɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) krommend vervormen, van de gewoonlijk rechte stand, houding of richting afwijken
    Hij boog het ijzer.
  2. intr (intr) krom worden, (door vervorming) doen afwijken
    Langzaam boog hij voorover en hij rechtte daarna met veel moeite zijn rug.
    De zilte adem van de zee liet de toppen van een overdaad aan palmbomen licht buigen.
  3. inerg (inerg) een buiging maken
    Hij boog diep bij de begroeting van de hoge gast.
  4. refl (refl) zich ~ over: aandacht besteden aan iets
    De regeringen zullen zich diep moeten buigen over de problemen ontstaan in de economie.
  5. een bocht maken
    De weg boog naar rechts.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands būghen ‘krom worden’, ontwikkeld uit Oergermaans *būgan- ‘krom worden’, bij Indo-Europees *bʰeugʰ-, waartoe ook Russisch dial. bgatʹ (бгать) ‘buigen’, bugór (буго́р) ‘heuveltje’ en Lets baũgurs ‘heuvel’ behoren. Eveneens Nederduits bugen, Fries bûg(j)e en Engels bow ‘een buiging maken’.

Uitdrukkingen

  • zich buigen over...aandacht schenken aan...

Vertalingen

Engelsbend, bend, bow
Fransplier, courber, se plier
Duitsbeugen, biegen, sich verbeugen
Spaansdoblar, curvar, doblarse
Italiaanspiegare, curvare, piegarsi
Russischсгиба́ть, изгибать, гнуть
Zweedskröka, böja, krokna
Deensbøje, bukke, bøje sig