brugleuning

vrouwelijk (de)/'brʏxlønɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hek langs de zijkant van een brug die voetgangers beschermt tegen in het water vallen
    Bij de sluis moest ze stoppen, zo duizelig was ze. Ze legde haar hoofd op de brugleuning en ademde diep in en uit om haar gedachten weer op een rijtje te krijgen.
    De Sloebrug in Vlissingen is gisteren omhoog gegaan terwijl er iemand op stond. Op foto's is te zien hoe een vrouw met een fiets zich aan de brugleuning vastklampt. Volgens de provincie Zeeland, eigenaar van de brug, kroop de vrouw onder de slagbomen door. Ze bleef ongedeerd.

Vertalingen

Engelsparapet, bridge railings