brugboog

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. deel van de overspanning van een brug tussen twee peilers
    Toen de spelersboot voorbij was, en de voetballers alweer neerhurkten voor de volgende brugboog, bleven we nog even naar de halsgevel van ons vroegere huis staan kijken.
    De Oversteek is 285 meter lang. De top van de brugboog bevindt zich 60 meter boven het wegdek. De brug gaat eind november open.