Brobbel

mannelijk (de)/ˈbrɔbəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gasbel die zich uit een vloeistof aan het oppervlak vertoont
    Wachten, wachten. Het brandt me in, ik wil gaan. Maar het kan niet. Ik móet wachten. Sneek draaien we kapot en dan is het gaan. Eerst om de eerste boei. De brobbels in de buik willen niet verdwijnen. Het is een machtig gezicht, de hele vloot achter je maar ik geniet niet. De oostenwind is te wisselvallig.
    {{ouds|1935/46

Etymologie

*(klanknabootsing)