bobbel

mannelijk (de)/ˈbɔbəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ronde verdikking of verheffing in een anderszins vlak oppervlak
    Dat bobbeltje is een onschuldige vetophoping.
    De derde tree van boven die kraakte, een bobbel in het tapijt van de overloop die een vreemd geluid maakte als je er met je volle gewicht op ging staan, het middenstuk van de trapleuning dat piepte als je het te veel belastte.
  2. gasbel die zich uit een vloeistof aan het oppervlak vertoont
    Wanneer je bobbels ziet, begint het water te koken.

Etymologie

* In de betekenis van ‘knobbel, luchtbel’ voor het eerst aangetroffen in 1490

Vertalingen

Spaansborbotón, corcova, giba