brein

onzijdig (het)/brɛin/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) orɡaan in de schedel dat het denkvermogen herbergt
    Wat gaat er om in je brein, wanneer je dat meemaakt?
    Het ritme van het lopen met soms wel 70.000 stappen per dag vormde een innerlijke kadans, waarvan sommige wetenschappers beweren dat er op deze manier een inventieve samenwerking ontstaat tussen de twee helften van je brein.
  2. iemand met een goed denkvermogen wiens denken achter een bepaalde organisatie of gebeurtenis te zoeken is
    Hij was het brein van die bende misdadigers.
    Brein achter omstreden Zweedse coronastrategie geeft fouten toe
  3. het verstand, het geestvermogen dat zetelt in de hersenen
    Een brein kun je niet opereren, in het brein zit geen tumor of een bloeding: dat kan allemaal wel met de hersenen.
    Haar brein zoekt naar woorden, maar die ontglippen haar als ze ze probeert te pakken.
    Het is te veel om het allemaal te bevatten - haar brein zoemt eromheen en probeert erin door te dringen.

Etymologie

*van Middelnederlands "bregen" (door palatalisering van de -g- ontstond -ei-), in de betekenis van ‘hersens’ aangetroffen vanaf 1477

Vertalingen

Engelsbrain
Spaanscerebro, seso