woorden
boek
Start
›
B
›
bouwvak
bouwvak
mannelijk (de)
/ˈbaʊvɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
de tijd waarin bouwvakkers vakantie hebben
een vak dat betrekking heeft tot bouwen
Verwante woorden
bouw
bouw-cao
bouwaannemer
bouwaannemers
bouwaansluiting
bouwaanvraag
bouwaanvragen
bouwaard
bouwactiviteit
bouwactiviteiten
bouwadvies
bouwafdeling
Bron:
OpenTaal
&
WikiWoordenboek
← bouwtypes
bouwvakantie →