boterkoek
mannelijk (de)/ˈbotərˌkuk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een koek, traditioneel bereid met roomboter, die gevuld wordt met amandelspijsHij eet graag boterkoeken.
Vertalingen
Engelsbutter biscuit
Duitsholländischer Butterkuchen
Spaanstorta de mantequilla
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek