boten

/ˈboːtə(n/

Betekenis

werkwoord
  1. kloppen, slaan

Etymologie

* (erfwoord): naast Limburgs boeten ‘castreren’; Middelnederlands bōten, ontwikkeld uit Oergermaans *bautan- ‘stoten, slaan’, bij Indo-Europees *bʰóu-d-e-, waartoe Middeliers búailid ‘hij slaat’ en Latijn fūstis ‘knuppel, stok’, confūtāre ‘neerslaan’ behoren. Evenals Zuid-Duits boßen ‘dorsen, klutsen’, Engels beat ‘slaan, kloppen’ en IJslands bauta.