boothals

mannelijk (de)/ˈbothɑls/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een hoge, brede halsopening die de schouders bloot laat
    Clio droeg een weergaloos antraciet zijden mantelpakje van Armani, waarvan het colbert een diagonale sluiting had, en een boothals met een wufte strik in plaats van een kraag, met haar Ferrarirode pumps van Mad Hatters. {{Aut|Pfeiffer, Ilja Leonard
    De jurk heeft een boothals, lange sluier en is van relatief dikke stof. De brede, sleep heeft een lengte van enkele meters. Haar sluier van kant is nog langer. Tubantia Bonne Kerstens 19-05-18 [https://www.tubantia.nl/show/meghan-draagt-jurk-van-britse-designer-clare-waight-keller-voor-givenchy~afc1c9cd/ Meghan draagt jurk van Britse designer Clare Waight Keller voor Givenchy]
    Prinses Amalia draagt een ensemble van een bovenstuk met boothals, korte mouwen en basque in zalmkleurige tinten met etnische motieven. De bijpassende soepelvallende broek heeft wijd uitlopende pijpen in poederkleurige zijde. De Standaard 27/04/2018 [https://www.standaard.be/cnt/dmf20180427_03486168 Koningin Máxima en prinses Amalia kiezen voor Natan op Koningsdag]