boot
mannelijk/vrouwelijk (de)/bot/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) klein vaartuigIk vaar in het weekend met mijn boot.In haar belevenis waren de langsvarende boten immens groot geweest en de golven die zij veroorzaakten reusachtig.
zelfstandig naamwoord
- (schoeisel) laars die tot net boven de enkels komtDe boot is voorzien van een brede schapenwollen boord.
Etymologie
*van "boot"
Uitdrukkingen
- de boot afhouden
- de boot ingaan
- de boot is aan
- de boot missen
- in de boot nemen
- uit de boot vallen
Vertalingen
Engelsboat
Fransbateau
DuitsBoot
Spaansbarco
Italiaansnave
Russischлодка
Poolsstatek, łódź
Zweedsbåt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek