boordradio

mannelijk (de)/'bortradijo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een radio waarmee men aan boord van een auto, vliegtuig of vaartuig kan zenden en ontvangen
    "Hoe kan dit?!", riep hij boos over de boordradio. En later, toen hem werd gesommeerd geen risico's te nemen om de eerste plaats terug te pakken: "Rustig maar, ik ga geen domme dingen doen. We hebben het er straks nog over."
    Aangekomen bij de Möhnedam roept Gibson over de boordradio zijn vliegers op. Ze moeten zich een voor een melden voor de aanval. Wingcommander Gibson neemt het voortouw, scheert laag langs de heuvels aan de oostzijde van de Möhnesee. Om vijftien over twaalf zet hij de aanvalsrun in.