boord

mannelijk (de)/bɔːrt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (m) (n) (scheepvaart) het dek van een schip
    In vroeger tijden was een valreep een touw met knopen waarmee men op het allerlaatste moment aan boord van een afvarend schip kon klimmen.
  2. textiel (m) (n) (textiel) de verbrede bovenrand van een hemd rond de nek
  3. (m) oever
  4. (m) "rand"

Etymologie

* In de betekenis van ‘rand’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 701

Uitdrukkingen

  • aan/van boord gaanhet schip betreden/verlaten
  • aan boord zijnverblijven in een boot of ander voertuig
  • dat boordje moet nog gesteven
  • kantje boordiets dat nog maar net goed ging
  • iets goed aan boord leggeniets moeilijks oplossen

Vertalingen

Engelsboard, collar, shore
Fransbord, bord
DuitsBord, Hemdkragen, Kragen
Spaansborde, bordo, cuello
Poolspokład
Zweedsbord