boon

mannelijk/vrouwelijk (de)/bon/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten, waarvan men alleen de zaden ofwel de gehele vrucht eet
  2. bloemplanten (bloemplanten) bepaald soort vlinderbloemige plant met rode, witte of paarse bloemen, , waaruit de eetbare peulvruchten groeien
  3. bloemplanten (bloemplanten) bepaald soort vlinderbloemige plant met witte bloemen, , witte of paarse bloemen, waaruit de eetbare peulvruchten groeien

Etymologie

*van Middelnederlands "bone", in de betekenis van ‘zaad van peulvrucht’ voor het eerst aangetroffen in 1210

Uitdrukkingen

  • een heilig boontjeiemand die heel braaf is, of zich eerder uit schijnheiligheid zo voordoet
  • in de bonen zijnin de war zijn
  • je eigen boontjes doppenzelfstandig zijn, voor jezelf kunnen zorgen
  • ieder boontje geeft zijn toontje
  • boontje komt om zijn loontje
  • gezegd van iemand die na een misstap zijn verdiende straf krijgt
  • Een blauwe booneen kogel
  • Honger maakt rauwe bonen zoetwanneer iemand echt honger heeft kan die dingen eten die die normaal niet lust

Vertalingen

Engelsbean, haricot
Fransharicot
DuitsBohne
Spaansjudía, alubia, frijol
Italiaansfagiolo, fagiolino
Portugeesfeijão
Japans
Koreaans
Poolsfasola
Zweedsböna