boomstam
mannelijk (de)/ˈbomstɑm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bosbouw), een rechtop gaande houten schacht van een boomDe omgehakte boomstammen worden drijvend op de rivier vervoerd.Grote omgevallen boomstammen zaten klem tussen de rotsen en waren geheel kaal en afgestompt door de sterke stroming die miljoenen liters smeltwater per dag uit de bergen moest verwerken.Die bezwering was een van de redenen dat hij liever in een eenvoudig ongeverfd houten huis bij de bouw was gaan wonen dan bij de andere ingenieurs in het Centralhotellet in Kramfors, hij wilde in de buurt van het gedreun van de heimachine zijn wanneer de boomstammen in de bodem van de rivier werden gedreven.
Vertalingen
Engelstree trunk
Franstronc
DuitsBaumstamm
Spaanstronco
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek