boompieper

mannelijk (de)/ˈbompipər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zangvogels (zangvogels) insectenetende zangvogel die inheems is vrijwel geheel Europa
    De boompieper houdt meer van open bos en heidevelden.

Vertalingen

Engelstree pipit
Franspipit des arbres, trädpiplärka
DuitsBaumpieper
Spaansbisbita arbóreo