boomchirurg

mannelijk (de)/ˈbomʃiˌrʏrᵊx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die (niet gehinderd door kennis van zaken en) met het inzetten van mechanische technieken probeert bomen te verzorgen
    De boomchirurg heeft de rotte plek uitgefreesd.