bontmuts
mannelijk/vrouwelijk (de)/'bɔntmʏts/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (hoofddeksel) muts gemaakt van de vacht van een zoogdierOok de televisiecritici misten de markante NOS-verslaggever. „Wie schitterde door afwezigheid was onze vertrouwde ingesneeuwde Gerri met zijn befaamde bontmuts”, aldus Parool-recensent Han Lips. „Dus stonden drie andere NOS-heren te blauwbekken op de respectievelijke crisisplekken in het land. Allemaal zonder bontmuts.”de Telegraaf 12 dec. 201727 januari draait de uitzending om schaatser Kees Verkerk en zijn bekende, van zijn overleden moeder gekregen bontmuts.de Telegraaf BART WIJLAARS 29 dec. 2016
Vertalingen
Engelsfur cap
Zweedspälsmössa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek