bontkraag

mannelijk (de)/'bɔntkrax/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een halskraag gemaakt van bont of namaakbont
    Februari 2013. Myroslava en Irina zijn samen in Wenen. In de stralende winterzon staan ze voor het Wiener Opernhaus; Irina in een leren jas met grote bontkraag, Myroslava met strakke broek, hoge laarzen en een hippe zonnebril. Ze omhelzen elkaar. NRC Francisca Wals 10 maart 2014
  2. lastige hangjongere
    De volgende ochtend stuurt Esdra een WhatsApp bericht: Een foto van Máxima die een cadeautje ontvangt van een jongen uit het publiek bij de de Doelen. Hij heeft een petje en een jack met bontkraag. De koningin in haar super onesie van Etro neemt het presentje lachend aan. Haar blonde haren zitten perfect, haar mond is half open, ze lijkt blij. Aboutaleb staat er vaderlijk bij, handen gevouwen , burgemeestersketting om. Achter hem lijkt de commissaris van de Koningin niet helemaal te begrijpen wat er gebeurt. „Marokkaanse boys Achraf en Appie geven Max verzorgingsset I heart my dog Grooming Kit, voor hun Labrador! Heb ‘Groeten van de Rimboe’ erop geschreven. Appie maakte de foto’s. Alles in opdracht van mij!” zegt de begeleidende tekst. NRC Mieke van der Linden 19 januari 2017
    Weinig kledingstukken die voor zo veel verontruste krantenberichten hebben gezorgd als het glimmende jack-met-bontkraag van Nickelson, vooral een hit onder jongeren. De reden daarvoor is natuurlijk die kraag: bont ligt niet lekker in Nederland. In 2010, op het hoogtepunt van de Nickelson-rage, togen verslaggevers naar schoolpleinen om uitspraken op te tekenen als „een jas zonder bontkraag is zoiets als een feestjurk zonder ketting”. NRC Milou van Rossum 6 oktober 2016