bons
mannelijk (de)/bɔns/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een geluid veroorzaakt bij het bonzenHij hoorde een luide bons en rende de trap op om te zien wat er nu weer gedeurd was.Een paar seconden later hoorde het drietal een harde bons waarop een plons volgde.
- een machtige functionaris in een bond of partijDe bonzen zullen daar nooit mee akkoord gaan.
tussenwerpsel
- klanknabootsing van het geluid van een dreun of smak
Etymologie
* In de betekenis van ‘tussenwerpsel: nabootsing van geluid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1787
Uitdrukkingen
- iemand de bons geven — het beëindigen van een liefdesrelatie
- de bons krijgen — afgedankt worden
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek