bonket

mannelijk/vrouwelijk (de)/bɔŋˈkɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. grote knikker
    Sarah van den Vondel zingt, en speelt‘met bikkel en bonket’.Nog klinkt, om 't kind dat spelende verdween,het vaderlijk geween.

Etymologie

*afgeleid van "bonk" "groot bot" , vermoedelijk omdat knikkers ooit van botten werden gemaakt