bom

mannelijk/vrouwelijk (de)/bɔm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. militair (militair) vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
    Er is recentelijk weer een bom op een Pakistaanse stad gegooid.
    Pas toen een bom van vijfhonderd kilo tweeënvijftig mensen in één gebouw in Malaga doodde en in het Regina Hotel een meisje haar beide benen verloor op de avond voor haar trouwen, werden ze wakker geschud uit hun verdoving.
    Het bijzondere aan alleen reizen is dat je nieuwe mensen ontmoet. Thuis verkeerde ik meestal in mijn vertrouwde kringetjes. Na drie weken alleen te hebben gelopen, kwam ik op een dag bij een beekje vier jongens tegen die languit in het stof lagen uit te rusten. Het leek alsof er een bom was ontploft want er lag van alles op de grond om hen heen.
  2. figuurlijk (figuurlijk) primeur, sensatie
    De bom barstte.
  3. figuurlijk (figuurlijk)heftige, plotselinge, schadelijke gebeurtenis
    Ze zag er misselijk uit, alsof ze wachtte tot de bom zou ontploffen.
    De woorden vielen als een bom tussen hen in.
zelfstandig naamwoord
  1. vrouw die ervoor gekozen heeft om zonder partner kinderen groot te brengen
zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) vissersboot
zelfstandig naamwoord
  1. stop van een vat

Etymologie

*[E] van "bom"

Uitdrukkingen

  • De bom is gesprongen (gebarsten)Het geheim is uitgekomen, of het al verwachte probleem heeft zich aangediend [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0287.phpv284 www.dbnl.org]
  • Het kan me niet(s) bommen't kan me niet(s) schelen [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0290.php www.dbnl.org]
  • Het nieuws sloeg in als een bomIedereen was er verbijsterd over
  • Na een dag barstte de bomtoen konden ze zich niet langer inhouden
  • : bom

Vertalingen

Engelsbomb
Fransbombe
DuitsBombe, Stopfen
Spaansbomba
Italiaansbomba
Portugeesbomba
Japans爆弾
Koreaans폭탄
Poolsbomba
Zweedsbomb