bolheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het bolvormig zijn
  2. het vol zijn van eigenwaan
    Fred schetst hoe mensen elkaar binnen vier muren begluren, belagen, bedreigen, bekampen en terroriseren, vanuit een schreeuw om begrip en een schrijnende nood aan warmte. 'Fred is dan ook een reflectie op en over onze dagelijkse nonsensdialogen. Ondanks hun ondraaglijke bolheid vertolken die immers menselijke existentie', verduidelijkt Lies. De Standaard 30 AUGUSTUS 2008 Jos Laeremans [http://www.standaard.be/cnt/ua1vqrso Tal gaat met winnend toneelstuk buiten Aalst]
    Wij zijn met Heer Bommel grootgebracht, hebben door het meebeleven van zijn avonturen de geheimen van de wetenschap, zowel zuiver (prof. Prlwytzkofski) als onzuiver (prof. Sickbock) kunnen ontraadselen, de roerselen van de artistieke ziel (Wammes Waggel, Terpen Tijn) leren kennen, de holheid van magistraten en bolheid van hoge politie-ambtenaren naar waarde leren schatten, de zorgen van de grootgrutter leren kennen, ons als ondernemers de spiegel door Super en Hieper laten voorhouden, en wat al niet meer. NRC 24 februari 1998 [https://www.nrc.nl/nieuws/1998/02/24/heer-van-stand-7388871-a1192471 Heer van Stand]

Etymologie

* afleiding van bol

Vertalingen

Engelsconvexity, roundness