boerenkoolstamppot

mannelijk (de)/ˌburə(n)ˈkolstɑmpɔt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kookkunst (kookkunst) gerecht bestaand uit een fijn mengsel van gaar gekookte boerenkool en aardappelen
    Zij at twee borden boerenkoolstamppot met rookworst.
    „Ik had het koud”, zei een mevrouw met een bleek gezicht. „En toen dacht ik opeens aan boerenkoolstamppot met worst, hebben jullie dat?”

Etymologie

* bekend sinds 1917

Vertalingen

Engelskale mash, Colcannon mash