bochel

mannelijk (de)/'bɔxəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een onnatuurlijk vergroeiing van de wervelkolom die tot een vervormde rug leidt
    De van Shakespeares drama bekende mismaakte koning Richard III had toch geen bochel of horrelvoet. Dat betogen Britse medische wetenschappers in het tijdschrift The Lancet na onderzoek naar het geraamte van de 15de-eeuwse koning, dat in 2012 werd gevonden onder een parkeerplaats in Midden-Engeland.Kester Freriks NRC 3 juni 2014
  2. iemand met een bochel [1]

Etymologie

* In de betekenis van ‘bult’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599

Vertalingen

Engelshumpback
Spaansjoroba, giba, corcova