bobijn

mannelijk/vrouwelijk (de)/boˈbɛin/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. cilinder waar draad omheen gewonden zit
    Bestuurders op een snelweg in Pennsylvania konden hun ogen niet geloven toen ze een grote bobijn op hen zagen afkomen. Het gevaarte was van een truck gevallen en rolde verder. De auto's die in tegengestelde richting kwamen, moesten het ding ontwijken. Uiteindelijk raakte de bobijn de kant en werd hij gestopt. De Standaard 8 januari 2017 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20170108_02662839 Grote bobijn rolt over snelweg]
    Granulaten, bobijnen, aanknoopmachines. Tijdens de rondleiding in de fabriekshallen van tapijtenmaker Balta is het Nederlands van hoog niveau. De hr-verantwoordelijke wordt dan nog overstemd door het geraas van de machines – ‘als je hier wil werken, ben je beter geen babbelaar’, zegt ze. De Standaard 13 juni 2017 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20170612_02922791 Vluchtelingen speeddaten voor werk]
  2. een cilinder waar film omheen gewonden zit

Etymologie

*van "bobine" "klos"