blessure

vrouwelijk (de)/blɛˈsyrə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) een verwonding die men door sportbeoefening heeft gekregen
    Hij zat al maanden niet meer op de fiets als gevolg van een blessure aan beide knieën. ,,Officieel heet het overbelasting, maar concreet is het een zeurende pijn in het midden van beide knieschijven. Tubantia Roy Schriemer 08-02-19 [https://www.tubantia.nl/sport-regionaal/kniekwetsuur-houdt-schulting-uit-de-ster-van-zwolle~a1032f70/ Kniekwetsuur houdt Schulting uit de Ster van Zwolle]
    We spraken een plek af waar we elkaar over een week zouden treffen, maar helaas duurde zijn blessure langer dan verwacht en zag ik hem pas een maand later weer terug.
    Ik vertelde natuurlijk wat er gebeurd was, dat we de laatste tijd niet zoveel hadden geijshockeyd maar vooral meisjestikkertje hadden gespeeld, waarbij het risico op een blessure laag was. En dat ik zojuist meerdere koppen thee had gedronken in het huis van een meisje op wie ik waarschijnlijk verliefd was.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘wond’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1794

Vertalingen

Engelsinjury
Fransblessure
DuitsVerletzung
Spaanslesión
Italiaanslesione