blauwwit

onzijdig (het)/ˈblɑuwɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleur (kleur) wit met een zweem blauw
    Dwars door de kringen heen wiebelen de huidskleur van de handen en het blauwwit van het aardewerk tegen een achtergrond van modderige grijzen.

Etymologie

[https://dbnl.org/tekst/schi018roma01_01/schi018roma01_01_0021.php?q=blauwwithl1 "De hut op de heide." (1862) in: Romantische werken. Deel 1: Bonaparte en zijn tijd, De eerste dag eens nieuwen levens, Sproken en vertellingen, Een Haagsche joffer. (1870) E. en M. Cohen, Arnhem / Nijmegen]; p. 356; (oudste vindplaats op dbnl.org) geraadpleegd 2019-01-09