blauw
onzijdig (het)/blɑu/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleur) primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violetDat blauw ziet er best mooi uit.Blauw is de kleur van de hemel en de Middellandse Zee.Samen staan ze te wachten, hun blik gericht op de horizon, waarachter de stad en hun oude leven liggen, onder een hemel die gouden tinten en een nog dieper blauw verspreidt.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "blau" van Oudnederlands "blao", in de betekenis van ‘kleurnaam’ aangetroffen vanaf 1121
Uitdrukkingen
- Iemand danig toetakelen (zodat die persoon veel blauwe plekken krijgt)
- Dronken zijn
- Nul op het rekest krijgen, m.n. bij een (huwelijks)aanzoek of amoureuze toenadering;
- Een kogel;
- blauwschimmelkaas
- Zich sterk ergeren
- Het erg koud hebben
- Het erg koud hebben (zodat de huid een blauwe kleur heeft gekregen van de kou)
Vertalingen
Engelsblue, blue
Fransbleu, bleu
DuitsBlau, blau
Spaansazul, celeste, azul
Italiaansblu, azzurro, blu
Portugeesazul, azul
Russischсиний, голубой, синий
Chinees蓝色, 蓝
Japans青, 青い
Koreaans파랑, 파란색, 푸르다
Arabischازرق
Turksmavi, mavi
Poolsbłękit, niebieski, błękitny
Zweedsblå, blå
Deensblå, blå
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek