blauwbaard

mannelijk (de)/ˈblɑubart/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. rokkenjager die zijn vrouw niet bepaald met zachtheid behandelt

Etymologie

* In de betekenis van ‘wreedaard tegenover vrouwen’ voor het eerst aangetroffen in 1775

Vertalingen

Engelsbluebeard