blaar
mannelijk/vrouwelijk (de)/blaːr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) onderhuidse vochtophopingDe wandelaar had na 30 km lopen nog steeds geen last van blaren.De twaalfjarige Alexander Ballekens voelt deze donderdag wat kasseien zijn: aan de binnenkant van zijn rechterhand zit een blaar zo groot als een erwt. Het stuur van zijn rode racefiets stuiterde de hele ochtend ongecontroleerd over de beroemde Carrefour de l’Arbre, een kasseienstrook van vijf sterren – de zwaarste categorie door lengte en krakkemikkige staat van het wegdek – in de piepkleine Noord-Franse gemeente Camphin-en-Pévèle. NRCOm te voorkomen dat ik blaren zou krijgen had ik een dubbele laag sokken aangedaan (Darn Tough en Injinji teensokken).
Etymologie
* In de betekenis van ‘bles, witte plek op het voorhoofd van dieren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1343
Uitdrukkingen
- Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten. — als je iets doms doet, moet je de gevolgen dragen (liefst zonder klagen)
Vertalingen
Engelsblister
Fransphlyctène
DuitsBulla
Spaansampolla
Japans水疱, すいほう, suihou
Poolspęcherz
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek