bivakkeren

/bivɑ'kerən/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) in de open lucht een kamp hebben
    De scouts bivakkeren iedere zomer in het bos.
    Tussen drie tenten was nog net genoeg ruimte om mijn eigen tent op te zetten, waarna ik bij een groep rond het kampvuur ging zitten. Ik zag allemaal nieuwe gezichten: hoe lang waren die mensen er al? Ze gedroegen zich in ieder geval alsof ze hier al weken bivakkeerden.
  2. ergens een tijdje verblijven vaak op een wat eenvoudige wijze
    De vluchtelingen bivakkeerden geruime tijd in de noodopvang.
    Sanderink werd in 1948 geboren in de Twentse buurtschap Lemselo. De laatste jaren bivakkeerde hij in een huis in Wierden. Tegenwoordig is hij vaak te vinden in het Brabantse Veghel, waar zijn huidige vriendin Rian van Rijbroek woont.
  3. in een bepaalde emotionele toestand verkeren
    Na de dood van Moniek bivakkeerde ik in een zwart gat.

Etymologie

*Afgeleid van bivak

Vertalingen

Engelsbivouac
Fransbivouaquer
Duitsbiwakieren
Spaansvivaquear
Poolsbiwak