bips
vrouwelijk (de)/bɪps/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie), (eufemisme) billen, achterwerk, derrière- Voor de bips geldt kijken, kijken, maar niet aankomen.- Het stoute kind kreeg een tik op zijn bips.
Etymologie
* In de betekenis van ‘achterwerk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1894
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek