bezitten
/bə'zɪtə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iets in eigendom hebben' 'De bevoorrechte mensen in deze stad bezitten huizen op het platteland omdat ze personeel hebben,' zegt Nella.Daarbij bezitten die twee jonkies mechanismen waardoor de reacties van hun zintuigen aanleiding geven tot een bepaald gedrag.Hij bezat een groot landgoed in Frankrijk.
- vnl. lijdende vorm + van geestelijk geobsedeerd wordenHij was bezeten van snelle auto's en mooie vrouwen.
Etymologie
*Afgeleid van zitten
Vertalingen
Engelspossess, own
Fransposséder
Duitsbesitzen
Spaansposeer
Italiaanspossedere
Poolsposiadać
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek