bewonen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (ov) wonen in, wonen opDit volk bewoonde een aantal eilanden en een stuk van het vasteland.Ik bewoonde tot mijn 18de jaar mede het huis van mijn ouders.
Etymologie
* afgeleid van wonen
Vertalingen
Engelsinhabit
Spaanshabitar, residir
Poolszamieszkiwać
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek