beschouwer

mannelijk (de)/bə'sxɔuwər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die iets bekijkt
    Quispel had eens een schilderij van Klee gezien, De opstand der viaducten, waarop viaducten van verschillende grootte, gedragen door stenen voeten, in de richting van de beschouwer oprukten.
    "Nergens een harde overgang, alles harmonie en brillant. De zachte kleuren komen geheel met die der natuur overeen", oordeelde De Telegraaf. "De foto’s hebben zulk een kleurenpracht, dat de beschouwer bijna geen woorden vinden kan om aan zijn bewondering uitdrukking te geven."

Etymologie

* van beschouwen