beschadiging

vrouwelijk (de)/bəˈsxadəˌɣɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aangebrachte schade
    Er zit een beschadiging op die oude foto, die digitaal verwijderd kan worden.
    In het boek staan tientallen foto's. "We hebben het hele paleis geanalyseerd en alle ruimtes in beeld gebracht met de vraag: waar zitten scheuren en beschadigingen?", zegt Verfürden tegen RTV Utrecht. "Op basis daarvan maakten we het restauratieplan."
  2. het beschadigen van iets of iemand bijv. diens reputatie
    De beschadiging van deze politicus is in volle gang.

Etymologie

*Naamwoord van handeling van beschadigen

Vertalingen

Engelsdamage, injury
Spaansdaño, avería, deterioro
Zweedsskadegörelse