benaderen
/bəˈnadərə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) naartoe gaan en aansprekenDe verlegen jongen durfde het mooie meisje niet te benaderen.
- (ov) aanpakkenDe meester benaderde het probleem vanaf een onverwachte hoek.Hoewel ik er vaak was geweest en de klinkende namen van Titiaan en Tintoretto achteloos door soireetjes had laten rollen, hoewel ik geroutineerd in mijn krant bleef lezen terwijl de vuurrode hogesnelheidstrein mij over de landverbinding van Mestre naar de oude stad bracht en veelbetekenend begon af te remmen, en hoewel ik mij had voorgenomen om mijn entree in de stad met een praktische instelling te benaderen en enige eventuele beroering van het gemoed uit te stellen totdat ik goed en wel was geïnstalleerd, moest ik even naar adem happen toen ik het station uit liep en het breekbare, pastelkleurige cliché van de stad aan het groene water zich onbekommerd en schijnbaar onschuldig voor mij ontvouwde.Ik zag opnieuw de toegevoegde waarde van het alleen reizen. Door alleen te zijn stapte ik sneller op mensen af en doordat ik alleen was durfden mensen mij eerder te benaderen en uit te nodigen in hun huis.
- (ov) bijna bereikt hebbenDe temperatuur van de oven benaderde de 200 graden.
- (ov) (wiskunde) geen exacte berekening maar een bepalingDoor een lijn te trekken benaderde hij de richtingscoëfficiënt.
Etymologie
*Afgeleid van naderen
Uitdrukkingen
- iemand vol ontzag benaderen
Vertalingen
Engelsapproach, reach, approximate
Duitsherantreten, herangehen
Spaansdirigirse, sondear, enfocar
Deenstiltale, nærme, tilnærme
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek