benadelen
/bəˈnadelə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengenDe moeder wilde niemand benadelen, dus gaf zij iedereen een gelijk aantal snoepjes."Het gaat dus om regels of processen die direct onderscheid maken en om regels of processen die op het eerste gezicht neutraal lijken, maar er in de praktijk wel toe leiden dat de ene groep benadeeld wordt en de andere groep bevoordeeld."
Etymologie
*afleiding van nadeel (zelfstandig naamwoord) en
Vertalingen
Engelsharm, injure
Fransfaire tort à, nuire à
Duitsbenachteiligen, schaden
Spaansperjudicar, desfavorecer
Poolsfaworyzować
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek