behaaglijkheid

vrouwelijk (de)/bəˈhaxləkˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het aangenaam, gerieflijk en gezellig zijn
    En weer bedacht hij dat zo'n strenge behaaglijkheid je vast in de stemming zou brengen om je met plezier aan geduldige, vruchtbare arbeid te wijden.
    Het winkelende publiek moet ook visueel in de watten worden gelegd, het liefst in een omgeving waar het zich met een zekere behaaglijkheid kan voortbewegen.
  2. iets aangenaams, gerieflijks en gezelligs

Etymologie

* afleiding van behaaglijk

Vertalingen

Engelscosiness, snugness, pleasantness