beenbreuk
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbembrøk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het gebroken zijn van een bot
- het gebroken zijn van een been (en niet van bijvoorbeeld een arm)
- Nartheium ossifragum , engelgras
Vertalingen
Engelsfracture of a bone
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek